Actueel

Het Nationaal Groeifonds: Wat zijn nu de succesfactoren van een NGF proces?

Het Nationaal Groeifonds investeert tussen 2021 en 2025 € 20 miljard in grootschalige investeringsprojecten die het verdienvermogen van de Nederlandse economie versterken. In februari 2023 start de 3e ronde voor het Nationaal Groeifonds. ERAC zegt vaker ‘nee’ dan ‘ja’ bij dergelijke aanvragen. Maar wat zijn de elementen voor een succesvol NGF programma? Huub Smulders legt het uit.

Het is niet al goud wat blinkt

Ik noem het soms gekscherend het ‘beste slechtste programma ooit’ vanuit subsidie oogpunt. De voordelen van het Nationaal Groeifonds zijn de relatief brede kaders, geen strakke regelgeving in complexe subsidieregelingen aan de voorkant (zoals in Europese financieringsbronnen) en een grote mogelijke bijdrage die écht zoden aan de dijk zet in het verder versnipperde landschap voor financiering.  Nadelen zijn er echter ook. Doordat vooral in de subsidietechniek in het design van voorstellen een aantal basisprincipes geen duiding krijgt, kunnen tijdens de uitvoering van gehonoreerde projecten flinke risico’s ontstaan voor de diverse consortia. De sleutel om risico’s te mitigeren ligt in het hanteren van een aantal basisprincipes zoals doelmatigheid en rechtmatigheid van uitgaven.

Praktische uitvoerbaarheid is belangrijk voor de partners in de consortia

Grote programmavoorstellen vergen nogal wat van de organisatie van het samenwerkingsproces. Er zijn immers veel partners. Dat betekent veel belangen en veel meningen en dus veel werk. In het ontwikkelen van een propositie voor het NGF, is het de bedoeling dat publiek-private consortia niet alleen de finish halen bij indiening van de propositie, maar gelijktijdig ook direct uitvoerbaar zijn. Na toekenning mag er geen onduidelijkheid zijn over ‘die ene post van 20 miljoen waar nog geen activiteiten en partners voor waren bedacht’, of over de staatssteun regelgeving die in potlood was beschreven, waardoor nu ineens 30% minder subsidie resulteert voor bedrijf X. Omdat bij de indiening van het NGF voorstel geen sprake is van een echte subsidieaanvraag (maar een budget claim), worden veel begrotingen te abstract geformuleerd met te weinig aandacht voor rechtmatigheid.

Elementen voor succes

Op basis van mijn ervaring met grote publiek-private consortia en de zienswijze op hoe het Rijk zowel regio’s als sectoren wenst te ontwikkelen, kom ik tot een belangrijke set aan succesfactoren:

1. Een sterke leider in het consortium is bepalend voor een vlot proces en een daadkrachtige propositie

In het proces dient er een leider te zijn (of een kernteam), die besluiten voorstelt en ook neemt. Bijvoorbeeld of projecten wel of niet worden meegenomen in de aanvraag, een eventuele uitbreiding van het consortium, het beperken van feedback tot bepaalde onderwerpen, het snijden in kosten, een goede wisselwerking tussen onderzoeks- en innovatie activiteiten enzovoort. Een goedlopend traject staat of valt met eigenaarschap en leiderschap uit het consortium. Leiderschap betekent dus niet alleen daadkrachtig optreden, maar ook voldoende tijd vrijmaken om het programma te regisseren en volhardend te zijn als lastige discussies op tafel komen. Zeker in voorstellen waar een ketenaanpak nodig is, denk bijvoorbeeld aan de voedselsector of de zorg, is leiderschap nodig om uiteenlopende visies bij elkaar te brengen in een overtuigend voorstel.

2. Concrete inzet en activiteiten

Het is natuurlijk moeilijk om zes uitvoeringsjaren tot in het kleinste detail te voorspellen, maar in het toekomstige proces, moet exact duidelijk zijn welke partij, welke verantwoordelijkheid pakt en welke activiteiten plaatsvinden. Dit is niet alleen een bouwblok voor een goede uitvraag, maar ook voor de uitvoeringsfase indien uw voorstel wordt goedgekeurd. Door aan de ‘voorkant’ van een traject het gesprek goed te voeren, voorkomt u vervelende ongewenste verrassingen aan de ‘achterkant’. Dit heeft ook te maken met de gekozen route van het NGF. Omdat er vaak op hoofdlijnen een activiteitenprogramma wordt beschreven, zijn bijvoorbeeld staatssteun kaders ook alleen op hoofdlijnen toe te passen. Maar als het project vervolgens door de commissie komt, kunnen er hele nare verrassingen ontstaan, omdat daarna pas om details wordt gevraagd.

3. Aansluiting op de bestaande economische toepassing van het NGF

Uw propositie is in de kern overtuigend en raakt tal van maatschappelijke transities. Kennisinstellingen zijn over het algemeen goed vertegenwoordigd in NGF proposities, en adresseren veel thematiek vanuit een gewenste situatie en vanuit de inhoud. Ik heb al vaak deeptech teksten omgeschreven naar makkelijk leesbare taal en de verwachte ontwikkeling van de stand van technologie. Zo kunnen mensen zoals ik (dat zijn de mensen die liever de film kijken dan het boek lezen) ook begrijpen wat er staat.

Echter, het verdienvermogen in het NGF-landschap uit zich in de meeste gevallen in prijsontwikkeling, toegevoegde waardeontwikkeling, arbeidsproductiviteit, marktaandelen en nog net niet de macro-economische Solow-modellen. In essentie prevaleert een primair economische motivatie over een academisch-inhoudelijke motivatie. Dit is een valkuil geweest voor meerdere voorstellen.

We redeneren te snel in: ‘Die grote bedrijven hebben dat geld toch niet nodig?

4. Skin-in-the-game van het bedrijfsleven

Het is niet de intentie van het NGF om onderzoeksvoorstellen te accorderen en dat lukt mondjesmaat. Een overgrote vertegenwoordiging van kennisinstellingen neigt naar een onderzoeksgedreven (en dus aanbod gedreven) voorstel met een hoog subsidiepercentage. Dat is in mijn optiek niet goed genoeg. Sterker nog, de concrete input van bedrijven als partners in het project is cruciaal en leidend. Niet alleen ter onderbouwing van het verdienvermogen, maar ook van de geloofwaardigheid van het project. Geweldig onderzoek resoneert niet per definitie bij innovatieve bedrijven die snel cash en groei moeten stapelen.

Met lagere subsidiepercentages (staatssteun) bieden bedrijven een enorm sterke thermometer voor de geloofwaardigheid van het project. Immers, met 80 tot 100 procent financiering voor een onderzoek is een risico snel genomen.  Ik kijk vooral naar de bereidwilligheid en daadkracht van een set aan bedrijven die 75 miljoen zelf financieren in een project van 100 miljoen. De afwegingen die daar in de boardroom worden gemaakt zijn scherper, puur gericht op verdienvermogen en op opschaling, precies wat het NGF wil.

Het bedrijfsleven dient dus als fundament, waarbij kennisinstellingen bijdragen met hun onderzoeksprogramma’s. En niet andersom. Dat betreft vooral het Nederlandse bedrijfsleven dat innoveert en haar verdienvermogen naar een nieuw niveau tilt. De overdreven focus om daarbij hoofdzakelijk het Nederlandse MKB te betrekken draagt niet altijd bij aan het realiteitsgehalte. Zoals bijvoorbeeld de Life Sciences of de chipindustrie. Dat zijn sectoren waarbij het machtscentrum van de wereldwijde kennispijplijnen elders ligt en waar je niet zonder de betrokkenheid van het grootbedrijf kan. Het zou juist het Nederlandse verdienvermogen en de Europese strategische autonomie kunnen helpen door ook deze bedrijven te betrekken bij Groeifonds proposities en hen óók te financieren. We redeneren te snel in: ‘Die grote bedrijven hebben dat geld toch niet nodig?’

5. Ambitieuze co-financiering

Twee dimensies zijn bij NGF-financiën van belang. Ten eerste de wens van het consortium om zoveel mogelijk externe financiering te verwerven binnen de geldende staatssteunkaders. Hoe meer subsidie, des te beter. Ten tweede wordt in de beoordeling gekeken naar de term ‘ambitie’.
Hoe lager het totale subsidiepercentage en hoe hoger de eigen financiering van partners en derden, des te hoger de beoordeling. Dit levert in de ervaring van ERAC altijd de nodige dynamiek op bij universiteiten (die graag volledig gefinancierd worden), maar ook tussen partners onderling. Een bedrijf dat hoog risico moet ondergaan om een business case te ontwikkelen met een subsidiepercentage van 30%, kan met argusogen kijken naar een universiteit die 100% onderzoek gefinancierd krijgt vanwege de staatssteunmogelijkheden. Verwachtingsmanagement aan de voorkant van het traject is daarbij essentieel om geen teleurstellingen te creëren binnen het partnership. De begroting en vooral de financieringsopzet dient daarom uiterst conservatief te worden ontworpen. Zo vormt geld nooit een obstakel in het verwachtingsmanagement en tot gedoe bij de uitvoering van het project.

Er zijn natuurlijk geen harde garanties op succes. Maar met de factoren leiderschap, een ambitieuze en gedetailleerde financiële engineering, en het bedrijfsleven in de lead, is de kans op succesvolle programma’s met een reële bijdrage aan het Bruto Nationaal Product een stuk groter. Programma’s die worden gerund vanuit de realiteit van de economie en de realiteit van de dagelijkse praktijk van het betrokken bedrijfsleven.

Meer weten?

U kunt altijd vrijblijvend contact met mij opnemen via huubsmulders@erac.nl of 06 27 82 57 83.

Nieuwsoverzicht

Meer artikelen

Actueel

Klimaatconferentie Sharm-el-Sheikh teleurstellend. En nu?

Tijdens de klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh, werd de oorzaak van de opwarming van de aarde opnieuw niet aangepakt. En nu? Lees…
Actueel

Zijn subsidies wel rendabel voor Nederland?

De Algemene Rekenkamer vraagt zich af of de besteding van Europese subsidies Nederland wel voldoende vooruithelpt. Het ERAC monitoringsysteem toont…
Actueel

Nationaal Groeifonds (NGF): Verdienvermogen betekent meer aandacht voor barrières

In het Nationaal Groeifonds is de maatschappelijke kant in de programma’s van groot belang. Huub Smulders legt uit waarom.