Meer weten?

Neem direct contact op met
Pieter Liebregts
Op 18 maart vinden de gemeenteraadsverkiezingen plaats. In de 342 gemeenten die Nederland rijk is, worden die dag nieuwe lokale bestuurders verkozen. Zij beslissen straks over belangrijke en tastbare zaken in het dagelijks leven van inwoners. Wat gebeurt er met de plaatselijke bibliotheek, school of sporthal?
Gelijktijdig zullen bestuurders zich moeten verhouden tot iets wat op het eerste gezicht verder af lijkt te staan van de lokale praktijk: Brussel. Dat kan spannend en ingewikkeld klinken, maar het biedt ook kansen. Mits bestuurders scherpe keuzes maken in wat zij met Europa willen en kunnen.
In dit blog gaat Steven Berens in op de Europese keuzes die aan het begin van een bestuursperiode voorliggen.
Op het eerste oog lijkt Europa vooral een zaak van het Rijk. Toch zijn lokale overheden verantwoordelijk voor de implementatie van ongeveer 70 procent van het Europese beleid. Gemeenten krijgen daardoor direct te maken met Europa in hun dagelijks werk. Dat geldt overigens net zo goed voor provincies, die binnen andere programma’s en op een ander schaalniveau een vergelijkbare rol vervullen.
Die Europese invloed bestaat uit twee kanten. Enerzijds is er de uitvoering van regels en richtlijnen. Daarmee zorgt Europa ervoor dat lidstaten en decentrale overheden aansluiten bij Europese doelen. Tevens is die ‘regeldruk’ maar de helft van het verhaal. Via subsidies en financieringsprogramma’s houdt de Europese Unie ook een duidelijke stimulans voor om partijen aan te moedigen bij te dragen aan diezelfde doelen. Voor gemeenten is het daarom van belang om scherp te krijgen hoe zij zich tot deze dubbele rol verhouden.
Niet alle Europese programma’s vragen dezelfde inzet van gemeenten. In sommige programma’s, zoals Interreg Europe of het European Urban Initiative, ligt een duidelijke rol voor gemeenten als partner of zelfs als trekker. Deze programma’s richten zich op beleidsontwikkeling, stedelijke innovatie en de toepassing van nieuwe oplossingen in de publieke ruimte.
Vaker vervullen gemeenten een faciliterende rol. Dat kan door het afgeven van steunbrieven, het beschikbaar stellen van cofinanciering of door inhoudelijk mee te denken over regelgeving. Die faciliterende rol gaat verder dan deelname aan projecten alleen. Gemeenten spelen ook een belangrijke rol in het informeren en enthousiasmeren van partijen uit hun gebied over Europese kansen.
Gemeenten beschikken over beperkte middelen en capaciteit. Dat maakt het nodig om keuzes te maken in de inzet op Europa. Die noodzaak neemt alleen maar toe richting 2028, wanneer een nieuwe Europese programmaperiode start.
In navolging van het rapport van voormalig ECB-president en Italiaans premier Mario Draghi kiest de Europese Commissie in haar voorstellen voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader nadrukkelijk voor versterking van het Europees concurrentievermogen. Europese middelen worden steeds gerichter ingezet daar waar schaal, snelheid en strategische autonomie samenkomen. Die lijn is in de huidige programmaperiode al ingezet door het STEP-platform dat richting geeft aan de technologieën en sectoren waarop Europa wil inzetten. Na 2028 wordt deze lijn doorgetrokken, met name in het European Competitiveness Fund.
Deze Europese keuzes worden nationaal en regionaal verder vertaald. In Nederland gebeurt dat onder meer langs de lijnen die zijn geschetst in het rapport ‘De route naar toekomstige welvaart’ van Peter Wennink. Daarin worden vier domeinen benoemd waarin Nederland zich onderscheidt: digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie.
Voor gemeenten ligt hier een duidelijke opgave. Niet elke Europese prioriteit sluit aan op het economisch profiel van een gemeente, en niet elke lokale ambitie is automatisch ook een Europese prioriteit. Het is daarom zaak te bepalen binnen welke niches de gemeente daadwerkelijk iets kan bijdragen.
Daarbij spelen twee vragen een centrale rol:
De nuance daarbij is dat ook het vermogen van partijen in het lokale ecosysteem meeweegt. Wanneer zij zelfredzaam zijn en hun weg in het financieringslandschap goed weten te vinden, ligt een actieve rol van de gemeente minder voor de hand. In andere gevallen kan die inzet juist doorslaggevend zijn.
Nederlandse gemeenten doen er goed aan om aandacht te hebben voor de specifieke kenmerken van hun gebied. Wat zijn de unieke economische sterktes? En waar kunnen partijen uit de gemeente het meeste bijdragen aan Europese doelen?
Tegelijkertijd ligt de meerwaarde van Europese projecten vaak in samenwerking tussen complementaire regio’s. Dat maakt het belangrijk om inzicht te hebben in welke andere Europese regio’s inhoudelijk aansluiten.
De netwerken van partners in de regio bieden daarbij het meest directe zicht op bestaande verbindingen. Vaak zijn deze relaties ingegeven door inhoudelijke complementariteit en geografische nabijheid. Deze inzichten kunnen worden aangevuld door bijvoorbeeld gebruik te maken van de Europese database met RIS-3-strategieën, of door te kijken welke regio’s actief zijn binnen relevante Europese netwerken en projecten op een bepaald thema.
Met name voor bestuurders is het vervolgens van belang om een duidelijk verhaal over de regio naar buiten uit te dragen en bewust te kiezen op welke Europese prioriteiten de gemeente zich wil profileren. Met dit verhaal kunnen gemeenten gericht de verbinding zoeken met complementaire regio’s, zowel bestuurlijk als ambtelijk. Wanneer regio’s inhoudelijk goed op elkaar aansluiten, ontstaat vanzelf meer bereidheid om te investeren in langdurige samenwerking. Europese projecten kunnen daarbij een passend instrument zijn.
De keuzes die gemeenten maken over hun Europese inzet zijn daarmee geen technische details, maar inhoudelijke keuzes over focus, rol en samenwerking. Juist aan het begin van een bestuursperiode wordt zichtbaar of Europa een samenhangend onderdeel wordt van lokaal beleid, of vooral een verzameling losse verplichtingen en kansen blijft.

Neem direct contact op met
Pieter Liebregts