ERAC analyseerde de coalitieakkoorden van de 45 grootste Nederlandse gemeenten. In dit artikel schetsen we een beeld welke thema’s de komende vier jaar centraal staan, en onderzoeken we in hoeverre gemeenten Europa willen inzetten als instrument voor het verwezenlijken van deze ambities.
Van ad hoc naar vanzelfsprekend
Voor de analyse is gebruik gemaakt van het raamwerk uit het onderzoek Van ad hoc naar vanzelfsprekend. Deze studie is uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit Utrecht, in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Huis van de Nederlandse Provincies (HNP) in Brussel, met steun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
In het oorspronkelijke onderzoek is in kaart gebracht hoe Nederlandse gemeenten en provincies inspelen op Europese integratie. Daarbij gaat om het verwerven van Europese subsidies, de uitvoering van Europese wetgeving, beïnvloeding van Europees beleid, deelname aan Europese kennisnetwerken en positionering van de lokale en regionale economie. De onderzoekers benadrukken dat hiervoor een duidelijke inhoudelijke strategie nodig is. Alleen dan kunnen gemeenten doelgericht en consequent handelen, in plaats van uitsluitend op incidentele Europese kansen te reageren.
Het oorspronkelijke raamwerk onderscheidt vier ontwikkelfasen: de ad-hocfase, innovatiefase, overtuigingsfase en borgingsfase. Dit raamwerk is toegepast op de ambities die gemeenten in hun coalitieakkoorden uitspreken. Daarmee meet de analyse niet de volledige feitelijke Europeanisering van de gemeentelijke organisatie, maar vooral hoe zichtbaar en structureel Europa in de politieke voornemens van gemeenten is verbonden aan hun opgaven. Coalitieakkoorden zijn immers een politiek document.
Europa bij de meeste gemeenten op de radar
Uit de analyse blijkt dat 4 van de 45 gemeenten Europa niet expliciet benoemen in hun coalitieakkoord. Dat is minder dan tien procent. In deze akkoorden maakt Europa daarmee geen zichtbaar onderdeel uit van het bestuurlijke handelingsperspectief. Dat betekent niet automatisch dat deze gemeenten in de praktijk niet Europees actief zijn, maar wel dat een expliciete Europese ambitie in het richtinggevende politieke document ontbreekt.
Daartegenover staan 11 gemeenten, bijna een kwart van het totaal, waar Europa in het coalitieakkoord relatief breed terugkomt als een structureel onderdeel van de gemeentelijke strategie. Europese samenwerking, financiering, netwerken en belangenbehartiging worden bij deze gemeenten aan meerdere beleidsdomeinen gekoppeld. Europa wordt zowel genoemd in relatie tot een afzonderlijke kans of opgave als een bestuurlijk schaalniveau dat kan bijdragen aan de uitvoering van gemeentelijke ambities.
De overige 30 gemeenten, precies twee derde, bevinden zich tussen deze twee uitersten. Binnen deze groep bestaan belangrijke verschillen. Bij 9 van deze 30 gemeenten komt Europa beperkt of incidenteel terug, bijvoorbeeld in relatie tot financiering, regelgeving of samenwerking. Bij de overige 21 gemeenten wordt Europa al aan meerdere gemeentelijke ambities gekoppeld. Uit het coalitieakkoord blijkt dat deze Europese oriëntatie nog niet volledig en structureel in het beleid en de organisatie is verankerd.
Juist voor deze middengroep lijkt ruimte te bestaan om de Europese oriëntatie verder te ontwikkelen. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de beweging van incidentele Europese kansen naar een samenhangende Europastrategie, van afzonderlijke subsidieaanvragen naar een structurele financieringsaanpak, van losse samenwerkingsverbanden naar een duurzaam regionaal ecosystemen en van kennis bij enkele medewerkers naar bredere organisatorische borging. Hoe groot die ontwikkelopgave daadwerkelijk is, zal per gemeente verschillen en vraagt om een breder blik dan het coalitieakkoord alleen.

