Het Nationaal Groeifonds leeft nog
“Nederland heeft nooit een tekort aan ideeën, wel aan kapitaal”, dat zijn de woorden van oud-ASML-topman Peter Wennink die in zijn rapport ‘De route naar toekomstige welvaart’ opriep tot meer investeringen in de opstart en groeifase van innovatieve projecten om zo de economische positie van Nederland in de wereld te kunnen versterken.
Het Nationale Groeifonds (NGF) werd in 2020 juist met dat doel opgericht. Het NGF moest innovatieve projecten mogelijk maken die niet binnen één kabinetsperiode tot resultaat leiden, maar wél van groot belang zijn voor de economische positie van Nederland op langer termijn. Technologieën van de toekomst zoals kwantumtechnologie, Holomicrobioom en 6G kregen via het NGF de mogelijkheid om zich over meerdere jaren te ontwikkelen en te vermarkten.
Daarmee leek Nederland te beschikken over een instrument dat innovatie voor langere tijd kon ondersteunen. Toch zette het kabinet-Schoof het fonds op pauze.
Het lukte de politiek niet om de lange adem vast te houden. Kortetermijnpolitiek kreeg de overhand boven een instrument dat was ontworpen om innovatie-ecosystemen langdurig te ondersteunen.
Het kabinet-Jetten draait dat nu voorzichtig terug. Tot en met 2031 komt in totaal 333 miljoen euro vrij voor het NGF, gefinancierd uit middelen die vrijkomen uit eerdere groeifondsprojecten. Vergeleken met de eerdere begroting van 20 miljard is dit een schamel bedrag. Toch biedt het lopende projecten ruimte om hun innovatie meer kracht bij te zetten en ontstaan er opnieuw mogelijkheden voor bestaande innovatieve ecosystemen. Verder biedt het wellicht de mogelijkheid deze investeringen aan te vullen met financiering uit Europa.
NADI biedt kansen, maar vraagt om samenhang
De belangrijkste uitdaging ligt in het ontwikkelen van een overtuigende positie ten opzichte van andere Europese regio’s. In het huidige financieringslandschap zijn veel Europese middelen beschikbaar via afzonderlijke programma’s met uiteenlopende doelstellingen. Binnen het ECF ligt de nadruk sterker op investeringen in sectoren die aantoonbaar bijdragen aan de strategische concurrentiekracht van Europa. Regio’s moeten laten zien waar zij goed in zijn én waarom juist hun ecosystemen bijdragen aan Europese ambities op het gebied van technologie, innovatie en strategische autonomie.
Bestaande economische en innovatieve krachten van een regio
Mede door het op pauze zetten van het NGF erkende ook Wennink dat het investeren in innovatie niet afhankelijk zou moeten zijn van de politieke wind van het moment. Hij pleitte daarom voor nieuwe institutionele instrumenten die innovatie-investeringen beter op afstand van de politiek organiseren. Eén daarvan is het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). Zo blijft de beschikbaarheid van financiële middelen voor ontwikkeling en innovatie gewaarborgd, op afstand van de politiek.
Het kabinet heeft deze oproep niet onbeantwoord gelaten. In het coalitieakkoord werd al beloofd om de oprichting van het NADI door te zetten, beginnende met een budget van 500 miljoen euro. Nu lijkt het kabinet hier nog eens 500 miljoen euro aan toe te voegen. Een stap in de goede richting, maar alsnog niet de 1,5 tot 2 miljard euro die het rapport-Wennink adviseerde te investeren voor een dergelijk agentschap.
Voor innovatieve bedrijven en projecten die tegen de grenzen van traditionele subsidies aanlopen, kan het NADI interessant zijn. Het agentschap moet risicodragend kapitaal beschikbaar stellen voor initiatieven die cruciaal zijn voor het verdien- en concurrentievermogen van de Nederlandse economie, maar waarvoor de markt onvoldoende financiering biedt.
Nederland loopt qua investeringen in innovatie in Europa achter. De NADI kan helpen om de innovatiekloof met landen als Duitsland, België en Zweden te verkleinen.
Europa als blinde vlek
In dezelfde week dat de Prinsjesdagstukken uitlekten, maakte het kabinet ook zijn inzet voor de onderhandelingen rondom het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de Europese Unie (EU) bekend. Samen met Denemarken, Duitsland, Oostenrijk, Finland en Zweden, een groep zuinige netto-betalende lidstaten, maakten deze landen duidelijk dat ze concessies willen doen in de onderhandelingen voor een nieuwe begroting. Deze landen willen de voorgestelde omvang van circa 2 biljoen euro met enkele honderden miljarden euro’s verlagen om tot een acceptabel begrotingsniveau te komen in een poging hun afdracht aan de EU te verlagen.
Mocht de omvang van het nieuwe MFK inderdaad lager uitvallen dan gepland, dan zullen investeringen in innovatie daar waarschijnlijk flink onder lijden. Ook in het nieuwe MFK is een groot deel van het fonds bestemd voor regionale ontwikkelings- en innovatieprojecten. Minder budget vergroot dus de kans dat middelen voor programma’s als Horizon Europe, het European Competitiveness Fund (ECF) en Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP’s) onder druk komen te staan. Structurele investeringen over de lange termijn die zowel het Nederlandse als de Europese concurrentievermogen zullen versterken, blijven zo uit ten behoeve van een lagere afdracht aan de EU.
Eenmalige nationale investeringen, zoals 333 miljoen euro voor het NGF of 1 miljard euro voor het NADI, zijn welkome impulsen. Toch zullen ze in het niet vallen bij het uitblijven van een structurele oplossing voor het versterken van de Nederlandse en Europese innovatiekracht wanneer de Europese investeringen worden afgevlakt.
Wat vraagt dit van belanghebbenden?
Juist nu nationale middelen beperkt blijven en de Europese begroting onder druk staat, wordt duidelijk dat innovatie niet alleen nationaal kan worden gefinancierd. De hernieuwde investeringen in het NGF en de totstandkoming van het NADI zijn waardevolle stappen. Ze laten zien dat het belang van innovatie opnieuw nadrukkelijker op de agenda staat.
Tegelijkertijd vraagt de economische positie van Nederland op lange termijn om meer dan nationale investeringen alleen. Innovatie stopt immers niet bij de grens, een open economie als die van Nederland is het meest gebaat bij internationale samenwerkingen. Een ambitieuze inzet op Europese samenwerking en internationale waardeketens kan Nederlandse investeringen versterken. We begrijpen dat een minderheidskabinet moet laveren in de huidige politieke werkelijkheid, maar investeren in toekomstige verdienvermogen gaat ons geen windeieren leggen.
Voor innovatieve waardeketens wordt 2027 een belangrijk jaar om hun positie in het Europese speelveld te bepalen. Het ECF, dat vanaf 2028 van start gaat, biedt daarbij nieuwe kansen. Wie daar goed op wil aansluiten, zal tijdig moeten voorbereiden.
Vanuit onze expertise zien wij een belangrijke opgave: zorgen dat nationaal en Europees elkaar versterken. Meer weten? Neem contact op!

