Blog
Subsidie-verantwoording
26 mei 2026

Samenwerken aan een duurzame arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt piept en kraakt. Minder mensen, meer vraag en systemen die niet altijd meebewegen. Vergrijzing en ontgroening zorgen voor minder instroom van jonge mensen en voor toenemende krapte.

Werk vinden, mensen vinden, mensen begeleiden. Het lijkt overzichtelijk, maar alles hangt samen. Extra geld lost het niet vanzelf op. En de manier van verantwoorden stuurt direct hoe er wordt gewerkt.

In de nieuwste aflevering van Sterke Koppen spraken we met Kristian Coppoolse, coördinator regionaal arbeidsmarktbeleid bij de arbeidsmarktregio Drechtsteden en Jordy van Homelen. Het gesprek ging over werkcentra, samenwerking en ESF+. En over wat er verandert als Europa anders gaat kijken naar resultaat en verantwoording.

Een arbeidsmarkt in transitie

De cijfers spreken voor zich.  In tien jaar tijd is de werkloosheid gedaald van ruim 7% naar minder dan 4%. De arbeidsparticipatie is gegroeid van 66% naar ruim 73%. Dat klinkt als goed nieuws, maar achter die cijfers schuilt een structureel probleem. De krapte op de arbeidsmarkt neemt toe en zal de komende jaren alleen maar verder oplopen.

De oorzaak ligt vooral in de demografie. Door vergrijzing stromen meer mensen uit het arbeidsproces dan er instromen. Het aantal mbo-leerlingen daalt, terwijl juist op dat opleidingsniveau de vraag groot is. En het percentage dat kiest voor een technische opleiding groeit niet mee. Tekorten stapelen zich op in sectoren als techniek, zorg en onderwijs. De (arbeids)productiviteit groeit maar beperkt. Nederland staat weliswaar hoog in de lijstjes op dit gebied, maar de groei vlakt af. Regelgeving, beschikbare uren, technologische adoptie en de toenemende druk van zorgtaken spelen daarin mee.

Daarbij komt een mismatch tussen sectoren. In Nederland is veel sectoraal georganiseerd. Dat heeft voordelen voor vakmanschap en deskundigheid, maar maakt overstappen lastig. Iemand helpen van de ene sector naar de andere stuit op barrières. Bovendien heeft niet elke sector dezelfde prikkel om mensen te laten doorstromen. Maar hoe organiseer je een arbeidsmarkt die flexibel genoeg is om mee te bewegen met economische en technologische veranderingen, en daarnaast inclusief genoeg om iedereen naar vermogen mee te laten doen?

De 35 arbeidsmarktregio’s, zelfde opdracht, andere context

Nederland is opgedeeld in 35 arbeidsmarktregio’s, elk met een centrumgemeente die de coördinatie verzorgt. Deze structuur bestaat al sinds eind jaren nul en heeft er in de loop der tijd steeds meer taken bij gekregen. In de regio’s werken gemeenten, UWV, onderwijs en sociale partners samen aan arbeidsmarktvraagstukken.

De onderlinge verschillen zijn groot. In Zeeland en Friesland spelen bijvoorbeeld afstand en bereikbaarheid een andere rol dan in de Randstad. In Drechtsteden is de maritieme maakindustrie een belangrijke economische pijler, terwijl in andere regio’s toerisme of dienstverlening domineren. Elke regio heeft eigen sterke en minder sterke sectoren. Er zijn ook duidelijke overeenkomsten. Krapte is overal een thema. Technische en zorgberoepen zijn in elke regio moeilijk in te vullen. En elke regio worstelt met de vraag hoe structurele oplossingen te financieren met tijdelijke potjes.

De regionale aanpak werkt goed, omdat regio’s zelf keuzes maken die passen bij hun situatie. Maar het betekent ook dat er veel te leren valt van elkaar. Initiatieven zoals Platform Zuid, waar regio’s samen met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om tafel zitten, laten zien dat die behoefte er al is.

ESF+ en financiering

Het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), is een belangrijke bron van financiering. Het richt zich op mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, zoals mensen met een arbeidsbeperking, jongeren zonder startkwalificatie en langdurig werklozen.

Voor de programmaperiode 2021 tot en met 2027 is in Nederland 413 miljoen euro beschikbaar vanuit ESF+. Het grootste deel gaat naar arbeidstoeleiding en sociale inclusie. Onder arbeidstoeleiding vallen activiteiten die mensen helpen om werk te vinden en te behouden. Meer over de basisprincipes van ESF+ leest u in ons eerdere blog ESF+: investeren in mensen. Vijf basisprincipes.

Centrumgemeenten kunnen namens hun regio subsidie aanvragen voor projecten rond arbeidstoeleiding en de stappen daarvoor. Voorbeelden zijn casemanagement, jobcoaching, leerwerktrajecten en schuldhulpverlening. Daarnaast zijn er programma’s zoals ESF+ Sociale Innovatie, gericht op het experimenteren met nieuwe aanpakken en het delen en opschalen van kennis tussen arbeidsmarktregio’s. De financieringsstructuur verandert. In het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de EU, voor de periode 2028 tot en met 2034, verschuift de aanpak naar Nationale Regionale Partnerschappen (NRP’s). Dat zijn gezamenlijk meerjarige plannen waarin financiering voor arbeidsmarkt, onderwijs, innovatie en klimaat samenkomt. Ook het sociale budget valt daaronder.

Dat betekent dat regio’s niet langer automatisch recht hebben op een eigen potje geld. In plaats daarvan moeten zij hun opgaven inbrengen in een nationaal plan.  Meer over wat het nieuwe MFK kan betekenen leest u in onze blog Vooruitkijken naar ESF+ in het nieuwe MFK.

Die verschuiving heeft twee kanten. Aan de ene kant biedt het kansen voor een integralere aanpak. Als je arbeidsmarktbeleid verbindt met onderwijs en regionale ontwikkeling, kun je als regio aan de knoppen draaien die echt verschil maken. Want iemand naar werk begeleiden heeft vaak ook te maken met scholing of andere regionale kansen. Aan de andere kant moet er voldoende ruimte blijven voor regionale eigenheid. Niet elke regio heeft dezelfde aanpak nodig. Regio’s moeten vroeg meedenken met nationale plannen om hun regionale uitdagingen te kunnen blijven aanpakken.

Het werkcentrum, één loket met haken en ogen

Een van de meest concrete vernieuwingen is de komst van het werkcentrum. In elke arbeidsmarktregio wordt een werkcentrum ingericht. Eén plek, fysiek en digitaal, waar personen en werkgevers terecht kunnen met vragen over werk. Het uitgangspunt is ‘no wrong door’, dus geen zoektocht meer naar de juiste instantie. Heeft u een vraag over omscholing, een uitkering of het vinden van personeel? Het werkcentrum wijst de weg en zorgt actief voor de verbinding met de partij die het beste antwoord kan bieden.

De gedachte is eenvoudig. Minder versnippering en meer samenwerking. Maar de uitvoering blijkt lastiger. De herziening van de Wet SUWI, die het werkcentrum wettelijk moet verankeren, is uitgesteld tot 1 januari 2027. Een belangrijk knelpunt ligt bij de uitwisseling van gegevens tussen publieke en private partijen. Het ministerie wil eerst de mogelijkheden voor doorverwijzing verbeteren. De werkcentra draaien inmiddels wel, maar zonder volledige wettelijke basis voor het delen van klantgegevens.

Bij een tussenbalans in november 2025 werd treffend verwoord dat het ‘echt keihard werken’ is om de regionale samenwerking goed te organiseren. Het onderbrengen van de werkgeversdienstverlening in het werkcentrum betekent dat duidelijke afspraken nodig zijn en een gezamenlijke koers moet worden bepaald. Soms is er nog een goed gesprek nodig over taken en rollen. Dat is geen zwaktebod. Het is wat er gebeurt als bestaande structuren worden samengevoegd terwijl de regels nog niet zijn aangepast. De structurele financiering is bovendien beperkt. Kristian Coppoolse is daar duidelijk over, de huidige middelen zijn onvoldoende om het werkcentrum de rol te laten spelen die het zou moeten spelen. De tijdelijke impulsbudgetten lopen tot 2034, maar daarna valt de financiering terug naar €46,5 miljoen structureel. Dat is voor 35 regio’s samen.

Hier raakt de infrastructuurvraag direct aan de subsidievraag. Een werkcentrum is een structurele voorziening en hoort dus bij structurele financiering. Als we willen dat werkcentra niet verworden tot een extra tussenlaag die geld kost maar weinig toevoegt, moeten we zorgen dat de financiering past bij de ambitie. De balans tussen lokale uitvoering en structurele financiering is ook het thema van ons blog Meedoen in de samenleving begint lokaal.

Prestaties centraal in verantwoording

Misschien wel het meest ingrijpende onderdeel van de veranderingen zit in de manier waarop we subsidies verantwoorden. De Europese Commissie wil af van het bonnetjessysteem. Geen urenstaten en loonkosten meer als basis, maar rapportage op prestaties. Wat is er bereikt? Hoeveel mensen hebben een volgende stap gezet?

Dat klinkt logisch, maar roept fundamentele vragen op. Want wie bepaalt wat een prestatie is? Als subsidie wordt afgerekend op het aantal mensen dat aan het werk gaat, ontstaat een prikkel om de makkelijke gevallen te helpen en de moeilijke te laten liggen. Juist de mensen die intensieve en langdurige begeleiding nodig hebben, worden dan het minst aantrekkelijk om te helpen. Over de balans tussen verantwoording en uitvoering schreven we eerder in Klaar voor minder papierwerk met ESF+.

Jordy  van Homelen wijst op de spanning die dit oplevert. Subsidie is bedoeld voor complexe vraagstukken, waarbij de uitkomst niet vooraf vaststaat en maatwerk nodig is. Als je alleen op resultaten afrekent, benut je niet de ruimte die Europa biedt om te leren en bij te stellen. Een casemanager die intensief iemand begeleidt die zonder die hulp was teruggevallen, boekt ook winst, ook al staat die persoon niet in de plaatsingsstatistieken.

De uitdaging is om een rapportagesysteem te ontwerpen dat recht doet aan de complexiteit van het werk. Dat betekent niet alleen meten of iemand aan het werk is gegaan, maar ook kijken naar bredere uitkomsten, zoals besparing op uitkeringen, verbetering van welzijn, vermindering van zorgkosten. Wat “brede welvaart” wordt genoemd. Kristian Coppoolse pleit er dan ook voor om te kijken naar de effectiviteit van beleid in de volle breedte, werkt het, en zo niet, wat moeten we bijstellen?

Blinde vlek in rapportage in het sociaal domein

De rapportage-uitdaging stopt niet bij ESF+. De persoon om wie het gaat, mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, hebben zelden een probleem dat netjes binnen één subsidieregeling valt. Neem iemand met schulden, geen werk en een wankele gezondheid. Die persoon heeft te maken met meerdere organisaties tegelijk. Gemeentelijke schuldhulpverlening, een welzijnsorganisatie, een re-integratietraject via het UWV en het werkcentrum. Elke partij wordt apart gefinancierd, legt apart verantwoording af en rapporteert in eigen format aan een eigen opdrachtgever. De welzijnsorganisatie telt het aantal huisbezoeken, de schuldhulpverlener rapporteert het aantal afgeronde trajecten en het re-integratiebedrijf meet hoeveel mensen zijn geplaatst. Maar niemand rapporteert over die ene persoon die bij al die loketten staat.

Dat is niet alleen een administratief ongemak, maar raakt de kern van wat we met brede welvaart bedoelen. Wie wil zien of iemand daadwerkelijk vooruitgaat, moet naar het geheel kijken. Financiële stabiliteit, gezondheid, sociaal netwerk en participatie hangen samen. Nu worden die onderdelen afzonderlijk benaderd, met elk een eigen manier van verantwoorden. De rapportages leggen verantwoording af over de besteding van middelen, niet over de voortgang van de persoon.

Slimmere rapportage kan daar verschil maken. Door niet alles te centraliseren bij één organisatie of één loket en de verschillende rapportages beter op elkaar af te stemmen, geven ze samen een beeld. Zo wordt zichtbaar welke organisaties betrokken zijn bij dezelfde persoon, of interventies elkaar versterken of langs elkaar heen lopen, en of de persoon stabieler wordt op alle levensdomeinen of dat het ene probleem wordt opgelost terwijl het andere verergert.

De Rekenkamer Tilburg wijst erop dat de inspanning om te meten in verhouding moet staan tot wat het werkelijk oplevert. Hun advies was om impact niet per subsidieontvanger op microniveau te meten, maar te koppelen aan een bredere gemeentelijke monitor. Volgens Movisie, het landelijke kennisinstituut voor het sociaal domein, krijgen outcome-data pas betekenis als je ze samen bespreekt. Het gesprek over de data is belangrijker dan de data zelf. Het draait niet om één centraal rapportagesysteem, maar om een gedeelde taal. Gedeelde indicatoren helpen organisaties, elk vanuit hun eigen rol en financiering, om samen inzicht te krijgen in of iemand erop vooruitgaat. Zo verschuift de focus van rapporteren per subsidieregeling naar kijken naar het bredere maatschappelijke vraagstuk.

Het ecosysteem is belangrijker dan de euro

Een van de meest opvallende conclusies uit het gesprek is dat het ecosysteem minstens zo belangrijk is als het geld. Misschien zelfs belangrijker. Als de samenwerking in de regio goed is georganiseerd, volgt het geld de goede ideeën. En goede ideeën uit de ene regio gaan de andere beïnvloeden en stimuleren.

Daar zijn al mooie voorbeelden van. De SCO-studie (Simplified Cost Option) is er een. Drie arbeidsmarktregio’s hebben samen een pilot uitgevoerd met een andere manier van verantwoorden. Niet alleen om het voor zichzelf beter te organiseren, maar ook om ervan te leren en de inzichten te delen met de andere 32 regio’s. Zulke initiatieven laten zien dat samenwerking geen abstractie hoeft te zijn. Meer hierover schreven we in Hoe ESF+ Sectoren organisaties helpt om mensen duurzaam aan het werk te krijgen.

Maar er is een keerzijde. Als het ecosysteem niet op orde is, heeft extra geld weinig effect. Als organisaties langs elkaar heen werken, als de verbinding tussen arbeidsmarktbeleid en onderwijs ontbreekt en als regio’s het wiel opnieuw uitvinden in plaats van van elkaar te leren, maakt het weinig uit hoeveel subsidie beschikbaar is. Eerst moet het systeem op orde zijn, daarna kan financiering echt iets toevoegen

“Dan gaan de goede ideeën vanuit de regio's elkaar ook beïnvloeden en stimuleren.”

Kristian Coppoolse
Coördinator regionaal arbeidsmarktbeleid -Arbeidsmarktregio Drechtsteden

Vooruitkijken

Wanneer zichtbaar wordt of deze vernieuwingen werken, ligt volgens Kristian Coppoolse rond 2029. Over drie jaar kunnen de eerste serieuze uitspraken worden gedaan over het functioneren van het werkcentrum en het oplossen van knelpunten. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een meerjarige beleidsevaluatie opgezet die doorloopt tot 2031. Dat lijkt ver weg, maar past bij de complexiteit van de opgave. De wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling komt pas in 2027. De landelijke campagne voor het werkcentrum start op 23 maart 2026. Ook wordt er een AI-tool ontwikkeld die professionals helpt bij het in kaart brengen van hulpvragen en het doorverwijzen naar passende ondersteuning. TNO maakt hiervoor een testmodel. Dat zijn stappen in de goede richting, maar het laat ook zien hoeveel er nog in ontwikkeling is.

De arbeidsmarkt verandert snel. De effecten van technologische ontwikkelingen, zoals AI, zijn lastig te voorspellen en de financieringsstructuur verandert mee. Een meerjarenplan dat alles vastlegt helpt dan beperkt. Belangrijker is dat het systeem wendbaar genoeg is om bij te sturen als dat nodig is. En dat vanaf het begin wordt gemeten op een manier die laat zien hoe de samenwerking loopt, niet alleen in hoe subsidies zijn besteed.

Vier boodschappen om mee te nemen

Het gesprek levert vier concrete boodschappen op voor iedereen die te maken heeft met de arbeidsmarktinfrastructuur.

  1. Investeer in samenwerking, binnen en buiten de regio. De werkcentra en het netwerk daaronder brengen partijen dichter bij elkaar. Kijk daarbij ook over de grenzen van de eigen arbeidsmarktregio. Dit vraagstuk los je niet alleen op.
  2. Zorg voor structurele financiering van structurele taken. Een werkcentrum is geen project, maar een voorziening. Het kan niet afhankelijk zijn van incidentele middelen. Diezelfde lijn geldt breder. Ook de arbeidsmarktinfrastructuur kan niet zonder financiering die aansluit op de lange termijn.
  3. Stem de rapportage beter op elkaar af. Zolang elke subsidiestroom apart wordt verantwoord en organisaties afzonderlijk rapporteren, blijft het totaalbeeld van de kwetsbare persoon ontbreken. Wie de no- wrong -door ambitie serieus neemt, richt ook de verantwoording daarop in. Dat begint met gedeelde indicatoren, niet met een nieuw dashboard.
  4. Denk nu al na over het meten van prestaties, zonder verkeerde prikkels te introduceren. Het nieuwe MFK gaat andere eisen stellen aan rapportage. Regio’s die daar nu al mee experimenteren, staan straks sterker. Niet omdat ze betere bonnetjes bewaren, maar omdat ze weten wat hun aanpak oplevert.
Beluister hier de podcast

Meer weten?

Wat betekent dit voor uw organisatie of regio? We denken graag mee over hoe u samenwerking, financiering en verantwoording op elkaar laat aansluiten.

Vragen?

Ik help u graag

Neem direct contact op met
Sharon Struijcken

+31 (0)6 43 74 13 43
sharonstruijcken@erac.nl

    voorwaarden